Een robuuste zoetwatervoorziening vraagt een gezamenlijke inspanning van overheden en gebruikers. Vier jaar na de start van 25 klimaatpilots blijkt dat er een flink potentieel ligt voor een grotere zelfvoorzienendheid van zoetwater. Om dat potentieel te benutten is ontwikkeling nodig en is er aandacht nodig voor opschaling en de economische haalbaarheid van maatregelen. Een eerste blik op de resultaten van de pilots.

Een robuuste zoetwatervoorziening, of het nu gaat om vasthouden, slim sturen of zuinig gebruik van zoetwater, vraagt om nieuwe technieken, werkwijzen en bedrijfsvoering. Daarom is innovatie vanaf het begin onderdeel van het Deltaprogramma Zoetwater, bijvoorbeeld in de vorm van het programma Klimaatpilots Zoetwater. Het programma omvat onder andere de cofinanciering van meer dan 25 pilotprojecten in verschillende regio’s. Daar blijft het niet bij, ook het stimuleren van kennisdeling en het opschalen van succesvolle pilots is onderdeel van het programma Klimaatpilots.

De resultaten van de pilots zijn ingedeeld in een aantal thema’s: beter benutten van bronnen, opslaan en vasthouden van zoetwater, zuiniger gebruik, slimmer sturen, werken op polder- of gebiedsniveau en economische aspecten.

Beter benutten van bronnen van zoetwater begint bij het goed in beeld hebben van deze bronnen. In het project Freshem zijn hiermee flinke stappen gemaakt. Via een innovatieve meetcampagne met metingen vanuit een helikopter is de zoet- en zoutwaterverdeling in de ondergrond in Zeeland in kaart gebracht.

Hergebruik effluent

Een bron met een duidelijk potentieel ligt bij hergebruik van de effluenten (gezuiverd afvalwater) van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s). De eerste pilot is zeven jaar geleden gestart in Haaksbergen: Sub-irrigatie met RWZI-effluent Haaksbergen. Op iets grotere schaal laat de pilot bij RWZI De Groote Lucht in Delfland, een proef met ozon en zandfiltratie, zien dat vergaande verwijdering van nutriënten en organische microverontreinigingen mogelijk is. Deze pilot wordt nu opgeschaald en gaat de hele rioolwaterzuiveringsinstallatie beslaan.

Er lopen meer proeven met hergebruik van effluent, zowel bij RWZI’s als bij industriële zuiveringsinstallaties. De pilots laten positieve resultaten zien. Er zijn nog wel vragen over microverontreinigingen en medicijnresten. En over garantie voor kwaliteit en regelgeving.

'Zelfvoorziening zoetwater door ondergrondse opslag'

Opslaan en vasthouden van zoetwater in de bodem is een thema dat in de pilots veel aandacht heeft gekregen. Zowel pilots in de Zuidwestelijke Delta als in Noord-Nederland en het IJsselmeergebied laten zien dat op veel plaatsen zelfvoorziening van zoetwater voor landbouw in de vorm van ondergrondse opslag mogelijk, toepasbaar en kansrijk is. Een combinatie van ondergrondse opslag met systeemgerichte of onderwaterdrainage vergroot de effectiviteit aanzienlijk. De economische haalbaarheid kan wel verschillen, afhankelijk van bodemomstandigheden en type gewas. Naast groei van de zoetwaterlens, betere toestand van het bodemvocht en hogere gewasopbrengst kan het tegengaan van pathogenen een effect zijn. Een volgende stap is gezet door zeven ondernemers op Walcheren, die met het oprichten van de Stichting Waterhouderij werken aan het inrichten van het watersysteem in hun gebied met onder meer boven- en ondergrondse wateropslag, peilgestuurde drainage en regelbare stuwen. Dit leidt tot de groei van de zoetwaterbel en hogere opbrengsten van hun (zaad)gewassen.

Zuinig gebruik

Pilots voor zuinig gebruik van zoetwater richten zich op verschillende onderwerpen, zoals zouttolerante gewassen, beter bodembeheer en gebruik van druppel- en subirrigatie. Deze methoden zijn, met een efficiëntie tot 90 procent, effectiever dan conventionele beregeningssystemen. Een voorbeeld is het project Deltadrip op een bedrijf in Zeeland. De kosten kunnen nog een barrière vormen. In de bollenteelt dekt de vermeden droogteschade de volledige kosten, in de pootgoedteelt een aanzienlijk deel van de kosten. In andere teelten wegen de baten onvoldoende op tegen de extra kosten, vooral bij druppelirrigatie.

'Instrument voor inzicht per polder'

De effecten op bedrijfs- en perceelniveau zijn dus vaak veelbelovend. Maar zeker zo belangrijk is inzicht in het effect op polder- of gebiedsniveau, zodat waterbeheerders de kosten en baten van lokale maatregelen kunnen afwegen en daarvoor simulaties kunnen opzetten. Zo heeft het project Regioscan een snel rekeninstrument opgeleverd dat inzicht geeft in regionale effecten op de zoetwatervraag, de kosten en baten en de neveneffecten van zoetwatermaatregelen op landbouwbedrijven. Belangrijk is de combinatie van maatregelinformatie en fysische en bedrijfseconomische rekenregels.

Eén van de lessen is dat lokale maatregelen alleen onder specifieke omstandigheden rendabel zijn voor agrariërs, met name bij de combinatie van grote verdampingsreductie door droogte- of zoutschade en hoogrenderende teelten. Op het waterbeheer in een polder kunnen lokale maatregelen effect hebben op onder andere beperking van de piekafvoer en hoeveelheid inlaatwater en bijdragen aan een lagere zoutbelasting, zoals het project Spaarwater in de polder laat zien.

Het instrument Regioscan en bijbehorende documentatie is hier te downloaden.

In november verschijnt een uitgebreide publicatie met resultaten van de klimaatpilots zoetwater. Deze zal zowel als brochure als digitaal beschikbaar komen.

Doelen 2050 en voorbereidingen voor fase 2 van Deltaplan Zoetwater

In mei dit jaar is het Bestuurlijk Platform Zoetwater overeengekomen dat voor zoetwater doelen voor 2050 worden geformuleerd, net als voor waterveiligheid en ruimtelijke adaptatie. Die doelen krijgen concreet gestalte in de eerste zesjaarlijkse herijking in het Deltaprogramma 2021.

Beschikbaarheid van zoetwater vergt een afweging tussen vraag en aanbod en wat geaccepteerde maatschappelijke inspanningen zijn. Deze afweging kan in de tijd wijzigen door verandering van klimaat, sociaaleconomische ontwikkelingen of veranderende maatschappelijke voorkeuren. Het proces van deze afweging noemen we waterbeschikbaarheid en is geen eenmalige actie maar vraagt om een continu proces waarbij vraag en aanbod bij elkaar worden gebracht en verbinding wordt gelegd met gerelateerde doelen zoals waterkwaliteit, wateroverlast en natuur. Een doel helpt om het proces richting te geven.

Vanaf 2022 gaat fase 2 van het Deltaplan Zoetwater van start, met maatregelen voor de periode 2022 tot en met 2027. De routekaart geeft het proces weer tot de besluitvorming over het maatregelenpakket. Het pakket komt tot stand op basis van inzicht in de effecten van de maatregelen die al zijn uitgevoerd of nu in uitvoering zijn, de resultaten van de (regionale) dialogen over waterbeschikbaarheid en kennis uit analyses, berekeningen en onderzoeken. 
Inzicht in de waterbeschikbaarheid is een voorwaarde om goede maatregelen te kunnen kiezen. Alle zoetwaterregio’s werken daaraan met pilots, analyses en gebiedsprocessen.

In gebieden waar de grondwatervoorraden in 2018 onder druk hebben gestaan, zetten beheerders op korte termijn in op herstel via water- en peilbeheer. Voor de lange termijn is er extra aandacht in de regionale bestuurlijke overleggen over de transitie naar meer water vasthouden op de zandgronden. Deze transitie is al ingezet met het Deltaplan Zoetwater, maar de droogte van 2018 heeft de urgentie sterk benadrukt.