Met het Peilbesluit dient het IJsselmeer nog sterker dan voorheen als zoetwaterbuffer in tijden van droogte, en afvoerbekken in tijden van hoge waterstand in de grote rivieren.

Voor het eerst in de geschiedenis heeft Rijkswaterstaat in maart het waterpeil in het IJsselmeer en Markermeer verhoogd tot NAP -0.10 m. Hiermee is een flinke waterbuffer aangelegd en is Nederland voorbereid op een warme zomer. De maatregel is mogelijk dankzij het nieuwe Peilbesluit van 14 juni 2018. In dit besluit zijn de juridische kaders vastgelegd waarbinnen de meerpeilen, in een bepaalde periode,kunnen variëren.

De verhoging van het waterpeil maakt het voor de waterbeheerder mogelijk om beter in te spelen op de veranderende weersomstandigheden en de behoefte aan zoetwater. Dankzij het flexibele peilbeheer ontstaat de mogelijkheid om een zoetwatervoorraad van 400 miljoen m3 aan te leggen. In het licht van klimaatverandering is dat in elk geval toereikend tot 2050.

Operationeel Flexibel Peilbeheer (OFP)
Parallel aan de totstandkoming van het Peilbesluit werkte de projectgroep Operationeel Flexibel Peilbeheer, bestaande uit vertegenwoordigers van de regionale watersystemen (negen waterschappen) en het hoofdwatersysteem (Rijkswaterstaat) aan het Sturingsprotocol Operationeel Flexibel Waterbeheer IJsselmeergebied. De opdracht was: maak binnen een jaar na vaststelling van het Peilbesluit een protocol waarin de sturingsprincipes staan en waar iedereen mee uit de voeten kan.

Het gaat hierbij om de beslismomenten om het peil op te zetten om dit (in het voorjaar) vast te houden in geval van komende droogte. Verschillende factoren beïnvloeden die beslismomenten, zoals weersvoorspellingen, waterstandsvoorspellingen voor de Rijnafvoer en ook de tijd van het jaar, als bijvoorbeeld voor de landbouw veel water nodig is. Door het peil vast te houden, ontstaat een grotere waterbuffer, die het mogelijk maakt om meer water in te laten naar de waterbeheerders, zoals waterschappen en drinkwaterbedrijven.
Als dit lang aanhoudt, zonder veel wateraanvoer, kan het peil zelfs weer dalen of een waterinname beperking gaan gelden. Dezelfde overweging kan worden gemaakt om het water af te laten stromen door meer te spuien naar de Waddenzee. Dit in geval van grote wateraanvoer (neerslag , Rijnafvoer) om de veiligheid  voor de dijken langs de IJsselmeerkust te vergroten. Maatwerk dus. Hiervoor is het sturingsprotocol opgesteld, waarin deze criteria staan beschreven.

Lerend implementeren
‘Het was een spannende tijd’, aldus Anjo van Stralen, projectmanager OFP. ‘We hebben intensief met de betrokken waterbeheerders samengewerkt. Het traject was niet zonder obstakels en stroomversnellingen, maar we hebben op tijd een goed resultaat bereikt.
Een tegengesteld belang is bijvoorbeeld, dat als het water te ver wegzakt, de waterschappen moeite hebben om het water vanuit het IJsselmeergebied naar hun beheergebied te kunnen brengen. Juist dan is dit van belang voor bijvoorbeeld de landbouw. Hiervoor moeten pompen worden ingezet om dit mogelijk te maken en dit zijn kostbare ingrepen. Daarom wordt gevraagd het water eerder al hoger op te zetten en meer water te bufferen. Hiervoor is het ook van belang om goed samen te werken met de lange termijn weersvoorspellingen (KNMI) of de waterstandsverwachtingen op de Rijn (WVL). Hoewel er dus tegengestelde belangen kunnen zijn, is er wel een compromis bereikt, om iedereen optimaal te bedienen. Dit vergt tijd en wederzijdse afspraken. Dit is afgesproken in het beheerprotocol.’

Anjo van Stralen: ’We hebben op tijd een goed resultaat bereikt’

Het Peilbesluit is op 14 juni 2018 door Cora van Nieuwenhuizen, minister van Infrastructuur en Waterstaat, getekend en op 7 februari 2019 heeft Louis Schouwstra, HID Rijkswaterstaat Midden-Nederland als beheerder van het gebied, het protocol ondertekend.
De opdracht om een sturingsprotocol op te stellen binnen één jaar na het vaststellen van het Peilbesluit, is dus ruim gehaald. Maar het heeft veel inspanning gevergd, aldus Anjo van Stralen. ‘We hebben nog geen ervaring met de uitvoering van de sturingscriteria. Ook voor ons is dat nieuw. Met de waterbeheerders is afgesproken om door middel van ‘Lerend Implementeren’ dit protocol tot uitvoering te brengen. Dit betekent dat we na jaarlijkse evaluaties dit protocol kunnen bijstellen.’

Flexibele waterstanden
In het voorjaar en de zomer is de bandbreedte van het meerpeil vastgesteld tussen NAP -0,10 m en NAP -0.30 m. Deze bandbreedte biedt de mogelijkheid om het peil in het voorjaar en de zomer aan te passen aan de watervraag en waterbehoefte. Onder normale omstandigheden wordt in de eerst twee weken van maart het meerpeil verhoogd om een waterbuffer te creëren.
In droge periodes, met lage aanvoer vanuit de rivieren, weinig neerslag, veel verdamping en een grote waterbehoefte, zoals in de zomer van 2018, kan worden besloten om het waterpeil te verhogen tot NAP -0.10 m. In de besluitvorming wegen de voorspellingen van de waterafvoer van de Rijn en de neerslagverwachtingen mee.

’Dankzij samenwerking het hele watersysteem optimaal benutten’

Het winterpeil is niet veranderd. Onder normale omstandigheden streeft Rijkswaterstaat naar een meerpeil van NAP -0.40 m in het IJsselmeer en Markermeer en in de Veluwerandmeren NAP -0,30 m. Het meerpeil zakt in augustus weer door het overtollige water onder vrij verval te spuien op de Waddenzee. Het lagere meerpeil maakt waterafvoer uit de regio eenvoudiger en is van belang voor de waterveiligheid. Het vroege uitzakken heeft een positief effect op de groei van water- en moerasplanten en uitbreiding van het areaal slikranden (foerageergebied).

Schema Waterpeilverloop en bandbreedte Peilbesluit Ijsselmeer

Slim Watermanagement
In het verlengde van het Peilbesluit maakt Rijkswaterstaat nieuwe afspraken met de waterschappen over de aan- en afvoer van het water. De waterpeilen van de meren en de aangrenzende polders moeten immers goed op elkaar aansluiten. De samenwerking maakt het mogelijk om het hele watersysteem optimaal te benutten. De waterbeheerders ‘sturen’ gezamenlijk het water daarheen, waar het de minste schade veroorzaakt of waar het het hardst nodig is.

Bestuurlijk Platform IJsselmeergebied start Joint Fact Finding studie

Tijdens de droogteperiode in 2018 werd duidelijk dat op een aantal vlakken meer onderzoek nodig is. Daarom heeft de Beleidstafel Droogte het Bestuurlijk Platform IJsselmeergebied (BPIJ) geadviseerd een Joint Fact Finding studie (JFF-studie) uit te voeren om onder andere de robuustheid van het IJsselmeergebied te onderzoeken. Het BPIJ pakt deze aanbeveling op. Daarbij worden de marges in het hoofdwatersysteem, de regionale watersystemen en gebruikers in beeld gebracht en de relatie tussen peilhandhaving en waterkwaliteit en de redundantie van drinkwatervoorziening expliciet meegenomen. Denk daarbij aan: tot welke niveaus waterschappen kunnen inlaten vanuit het hoofdwatersysteem? En kan dat worden gewijzigd? Dit naar aanleiding van de constatering dat - bij uitzakkend IJsselmeerpeil - verschillen bestaan in inlaatmogelijkheden tussen de waterschappen. Of kunnen (tijdelijk) hogere chlorideconcentraties worden gehanteerd, buffers worden vergroot, effecten van marges op keringen, zijn er mogelijkheden voor andere inlaatlocaties en de betekenis daarvan voor de robuustheid van de systemen?

Op basis van de Joint Fact Finding-studie kunnen de deltaprogramma-partners in het IJsselmeergebied keuzes maken voor de toekomst.