De aanhoudende droogte van vorig jaar herinnerde velen eraan hoe essentieel zoetwater is voor ons land en onze manier van leven. Voor de waterwereld een bevestiging dat zoetwater onlosmakelijk verbonden is met het Deltaprogramma, benadrukken topambtenaar Liz van Duin en dijkgraaf Patrick Poelmann. Allebei zijn zij vanuit hun specifieke verantwoordelijkheden nauw betrokken bij het Deltaprogramma en de opgaven met zoetwater.

Op de goede weg
Liz van Duin heeft een lange staat van dienst in de waterwereld. Na haar milieustudie in Wageningen, met als specialisatie water, heeft ze als onderzoeker het watersysteem geanalyseerd, is daar op gepromoveerd en werkte daarna  vijftien jaar bij Hoogheemraadschap van Rijnland, later bij Rijkswaterstaat. Nu is zij werkzaam als directeur Waterkwaliteit, Ondergrond en Marien (onderdeel van het Directoraat-generaal Water en Bodem) op het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Sinds oktober vorig jaar is ze ook voorzitter van het Bestuurlijk Platform Zoetwater (BPZ).

‘De droogte heeft ons geleerd dat we op de goede weg zijn. En dat vooral het vasthouden van water als eerste stap cruciaal is. Daarna pas bergen en als laatste aanvoeren of afvoeren.’ Die reeks is nog steeds valide, aldus Van Duin. ‘Daarom zijn regionale afspraken zo belangrijk. Want vasthouden en bergen doe je regionaal. Maar daarnaast zijn er nationale maatregelen nodig, zoals het Peilbesluit IJsselmeer, zodat we een grote nationale zoetwatervoorraad hebben. Ook de kleinschalige wateraanvoer West-Nederland (KWA) speelt bovenregionaal, en is een knap staaltje samenwerking.’

Liz van Duin: 'De combinatie van nationaal beleid en regionaal maatwerk, daarin goed samenwerken, maakt het doeltreffend.'

Positief gevoel
Patrick Poelmann is inmiddels een oude rot in het bestuur, als voormalig statenlid en gedeputeerde (D66) in Noord-Holland, en sinds 2007 als dijkgraaf van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Hij is tevens lid van de nationale stuurgroep Deltaprogramma. 

Hoewel de droogte voor veel maatschappelijke schade heeft gezorgd, kijkt hij ook met een beetje positief gevoel terug op de vorige droogteperiode, vooral omdat de organisatie berekend bleek te zijn op een dergelijke crisissituatie. ‘We zijn 65 dagen opgeschaald geweest om voor voldoende zoetwater in ons gebied en in Rijnland te zorgen. Dat is niet niks. De droogte was naar en voor sommigen een ramp, maar voor onze mensen was het een goede ervaring om te laten zien wat we nou eigenlijk kunnen.’

’Goed dat we zoeken naar meer bergingsruimte in Hoog Nederland’

Meest spannend vond Poelmann niet de droogte - alhoewel die lang duurde en een flinke wissel trok op ‘zijn’ mensen - maar de stortregens op 5 september. ‘Ineens kwam er een bak water naar beneden van 100 mm. Alles wat we hadden gedaan om water op te zetten aan de westkant van Utrecht, moest nu in een flits worden omgedraaid. Dat was wel even een dingetje’. Het ging goed hoor, voegt hij geruststellend toe. ‘Maar het feit dat er zoveel water ineens naar beneden kan komen, wijst ons op de noodzaak om voldoende bergingsruimte te reserveren in het gebied zelf. Het is goed dat we dit nu bespreken aan de Beleidstafel Droogte en zoeken naar meer bergingsruimte in het hoger gelegen deel van het land.’

Patrick Poelmann: 'Houd de aandacht vast. Kijk permanent hoe het systeem functioneert, leer van de knelpunten die zich voordoen en bedenk oplossingen om ze aan te pakken. En schuw de discussie over de houdbaarheid van het systeem niet.'

Klimaatbestendige wateraanvoer
Zowel Van Duin als Poelmann benadrukken het belang van het Deltaprogramma  voor voldoende zoetwater. Liz van Duin: ‘Water is essentieel voor ons leven en onze economie. Juist met klimaatverandering en het extreme weer dat hiermee gepaard gaat, neemt de druk op het zoetwatersysteem toe; voor de drinkwatervoorziening, maar net zo goed voor de landbouw en de industrie.’

‘Gelukkig heeft zoetwater naast veiligheid en ruimtelijke adaptatie een volwaardige plek in het Deltaprogramma’, merkt Patrick Poelmann op. Hij memoreert dat dit vooral te danken is aan de provincies en waterschappen, die er destijds in Den Haag op aandrongen dat het Deltaprogramma niet alleen over veiligheid moest gaan, zoals de Tweede Kamer aanvankelijk wilde.

De dijkgraaf vertelt hoe de waterschappen bezig zijn met de uitwerking van de KWA+, het programma voor klimaatbestendige wateraanvoer met 40 miljoen euro gefinancierd vanuit het Deltafonds. ‘De fysieke maatregelen moeten we nog nemen, zoals het verdiepen van watergangen en het verbreden van doorgangen. We hebben hierover de afgelopen jaren veel kennis opgebouwd, die we vorig jaar goed konden gebruiken voor een aantal noodmaatregelen.’ Poelmann geeft trots aan dat vorig jaar gedurende bijna de hele periode de KWA+ doelstelling van 15 kuub water p/sec bij Bodegraven al vrijwel is gehaald. ‘Dat ging wel met veel kunst en vliegwerk, hier en daar een by pass en extra pompen, maar we hebben laten zien dat het werkt.’

Regiospecifiek én nationaal
‘Met slim watermanagement proberen de waterschappen en Rijkswaterstaat de fijne regeltechnieken te optimaliseren’, vult Van Duin aan. ‘Dat is een regiospecifieke zaak’, benadrukt ze, ‘en daar hebben we de afgelopen jaren best stappen mee gemaakt. We moeten daarmee doorgaan. Zo zien we dat er meer kennis nodig is van de interactie tussen grondwater- en oppervlaktewatersystemen op regionale schaal. We zijn bezig met modelontwikkeling om die kennis te vergaren zodat we ook weten dat we de juiste maatregelen treffen.’

’Met slim watermanagement de fijne regeltechnieken optimaliseren’

Tegelijkertijd komen in het Bestuurlijk Platform Zoetwater de nationale opgaven en de samenhang met de regionale opgaven aan de orde, zoals het systeem van de grote rivieren en de verdeling van het water over de rivierarmen, vertelt Van Duin. ‘Wat als de zeespiegel verder stijgt en er meer zoutwater ons watersysteem binnendringt? Zijn onze keuzes vanuit de nationale én regionale opgaven dan nog wel valide en optimaal? Rijkswaterstaat is bezig met een verkenning van de ontwikkelingen en de alternatieven. Dat kunnen ingrijpende maatregelen zijn, en is daarom een paralleltraject voor de langere termijn waar we aan werken.’

Patrick Poelmann onderschrijft het belang van nationale afstemming met de verwijzing naar een aantal knelpunten, dat zich vorig jaar voordeed. ‘We hebben de problemen gezien bij de innamepunten voor zoetwater uit het IJsselmeer en het Amsterdam-Rijnkanaal. De komst van de tweede grote sluis in IJmuiden gaat ook wat betekenen. Met het Peilbesluit IJsselmeer kunnen we meer zoetwater vasthouden, maar het is belangrijk dat er in Hoog Nederland meer bergingsruimte komt.’

Hij wijst verder op de stremmingen voor het scheepvaartverkeer en de achteruitgang van de zwemwaterkwaliteit door lagere waterstanden in de rivieren. 

Verantwoordelijkheid pakken
Daar hebben we het over in het BPZ en het Bestuurlijk Platform IJsselmeer (BPIJ), reageert Liz van Duin. ‘Het besef van gezamenlijke verantwoordelijkheid en het gevoel van urgentie bij alle betrokken partijen zie ik als een groot voordeel om tot verdere afspraken te komen. Iedereen heeft hetzelfde doel, iedereen weet dat we elkaar daarbij nodig hebben, iedereen wil daarom samen aan de bak. Dat geeft heel veel positieve energie. Vanuit het ministerie willen we in gesprek blijven en altijd praten vanuit de inhoud en ambities, vervolgens samen zoeken naar oplossingen en dan bepalen wie daar verantwoordelijk voor is en wie het moet betalen.’

Eind volgend jaar moet het nieuwe maatregelenpakket voor de periode 2022-27 duidelijk zijn, geeft ze aan. ‘Het pakket dat we nu in beeld hebben, daar gaat zo’n 400 miljoen euro in om. Vanuit het Deltafonds hebben we 150 miljoen, dus 250 miljoen is cofinanciering vanuit de regio. Dat geeft wel aan dat iedereen zijn of haar verantwoordelijkheid pakt als het nodig is.’

’De lessen zijn geleerd en de verbetertrajecten zijn ingezet’

Alles bij elkaar geeft het Van Duin een gerust gevoel nu de volgende zomerperiode is ingegaan. ‘De lessen zijn geleerd en de verbetertrajecten zijn ingezet. Dit jaar zijn we weer beter voorbereid.’

Poelmann heeft dat gevoel ook. ‘De mensen van de waterschappen konden goed uitleggen wat er aan de hand was en wat eraan werd gedaan. Terugkijkend vond hij zichzelf bij het aanzetten van de KWA een beetje te veel stralen op televisie, het ging immers om een calamiteit. Dat gebeurt als je ziet dat je mensen goed bezig zijn.’

Patrick Poelmann heeft aangegeven per 1 september te zullen stoppen als dijkgraaf. Dan zit zijn tweede bestuurstermijn erop. Als boodschap wil hij zijn opvolger en de waterwereld in het algemeen meegeven: ‘Houd de aandacht vast. Kijk permanent hoe het systeem functioneert, leer van de knelpunten die zich voordoen en bedenk oplossingen om ze aan te pakken. Nuchter, alert en voorbereid, zoals deltacommissaris Peter Glas laatst zei. Tegelijkertijd moeten we de discussie niet schuwen over de houdbaarheid. Heel veel maatregelen nemen we in West- en Zuidwest-Nederland omdat we de Nieuwe Waterweg zo lang mogelijk als open verbinding met de zee willen behouden. Het belang van de Rotterdamse haven is groot, maar er kan een moment komen dat het plaatje vanuit veiligheidsoogpunt toch gaat kantelen. Laten we bovendien niet vergeten: de land- en tuinbouw zijn ook belangrijk voor de BV Nederland.’