Door 5 miljoen m3 zand op de zeebodem van het Amelander Zeegat te leggen, onderzoekt Rijkswaterstaat hoe de Nederlandse kust op een duurzame manier kan meegroeien met de zeespiegelstijging. Maar voordat deze pilotsuppletie in maart kon starten, moest het bodemleven worden onderzocht. De eerste uitkomsten tonen aan dat het bodemleven rijker is dan je op grond van de stroomdynamiek in een buitendelta zou verwachten. Verder blijkt dat het tot nog toe gesuppleerde zand goed blijft liggen. Dat is belangrijk voor het verdere verloop van het onderzoek. 

Op het moment wordt er jaarlijks 12 miljoen m3 zand voor de Nederlandse kust gestort. ‘De vraag is hoeveel zand we voor de lange termijn nodig hebben, op wat voor manier we het zand aanbrengen en waar we dit doen’, zegt Carola van Gelder-Maas, programmamanager Kustgenese 2.0 van Rijkswaterstaat. ‘Nieuwe inzichten rond een mogelijk versnelde zeespiegelstijging vragen om nieuwe antwoorden. Met het programma Kustgenese 2.0 proberen we die antwoorden te geven.’

'Meer kennis opdoen over de werking van zeegaten'

Als onderdeel van het programma voert Rijkswaterstaat vanaf 2018 een pilotsuppletie uit op de buitendelta tussen Ameland en Terschelling. ‘We willen met deze pilot meer kennis opdoen over de werking van zeegaten, omdat daar nog weinig over bekend is. Met metingen voor, tijdens en na de suppletie willen we inzicht krijgen in de (zand)stromen en het (bodem)leven in het zeegat. Zo komen we erachter of zeegaten geschikte locaties zijn om in de toekomst te suppleren.’

Projecten met betrekking tot het Amelander Zeegat

Grootschalige meetcampagne

Om het bodemleven in kaart te brengen en meer kennis op te doen over het kustfundament vond voorafgaand aan de start van de pilotsuppletie in 2017 een grootschalig meetcampagne plaats. Het onderzoek werd uitgevoerd met circa 10 schepen, 100 mensen, 100 meetapparaten en 20 meetframes in het Amelander Zeegat in de buitendelta tussen Ameland en Terschelling. Van Gelder-Maas: ‘Er is sprake van een bijzondere samenwerking waarbij deelnemers data en inzichten delen, er experimenteerruimte is en promovendi de mogelijkheid krijgen bijzonder veldonderzoek uit te voeren.’

De metingen leverden een gigantische hoeveelheid ruwe data op over waterbeweging en sedimenttransport. Deze data worden gebruikt om bestaande computermodellen te verbeteren en nieuwe modellen te ontwikkelen. Inmiddels zijn al diverse modellen opgebouwd en verbeterd. Verder is het de bedoeling om de kennis op het gebied van het diepe gedeelte van het kustfundament uit te breiden.

Verrassend rijk bodemleven

De ecologische monitoring leverde volgens Van Gelder-Maas bijzondere, mooie resultaten op. Wel vijf verschillende habitats zijn aangetroffen, met een hoge dichtheid. ‘De onderzoekers troffen in totaal 71 soorten bodemdieren aan. Dat is bijzonder voor een gebied met zo een hoge dynamiek.’

'Wel vijf verschillende habitats zijn aangetroffen'

Ook ontdekten de onderzoekers kraamkamers van juveniele zandspiering, een belangrijke voedselbron voor de kuikens van de grote stern.

‘De kennis die we hebben opgedaan over het bodemleven hebben we gebruikt om aanpassingen te doen in het stortontwerp’, zegt Van Gelder-Maas. ‘We hebben daarbij heel specifiek gekeken naar de zandspiering. De babyvisjes willen we niet verstoren.’

Daarnaast zijn banken met de beschermde Spisula-schelpen aangetroffen. Maar die banken liggen ver buiten het stortgebied en worden dus niet verstoord.

Onderzoekers ontdekten kraamkamers van juveniele zandspiering, een belangrijke voedselbron voor de kuikens van de grote stern.

Zand blijft liggen

Het zand dat vanaf maart in het Zeegat is gestort blijft vooralsnog keurig liggen. Van Gelder-Maas: ‘Dat is een goed signaal, want dit betekent dat we voldoende tijd hebben om het effect van de suppletie te monitoren. Als het zand direct zou wegspoelen zouden we veel minder data van zandstromingen hebben. We verwachten in februari 2019 de laatste klap zand te storten. Vanaf dat moment kunnen we gaan meten hoe het zand zich over een groter gebied gaat bewegen.’ Dat is vooralsnog onbekend, geeft ze aan. Het kan vanuit het Zeegat langs de Waddenkust naar Duitsland bewegen en de Waddeneilanden van nieuw sediment voorzien. Maar er verdwijnt ook zand richting de Waddenzee. Hoe het zand zich exact gaat bewegen, zal de natuur bepalen. Naar verwachting komen eind 2019 data beschikbaar die helpen bij het formuleren van een antwoord op de vraag hoe we onze kust op een verantwoorde wijze moeten en kunnen onderhouden.

Kustgenese 2.0

Om de veiligheid van Nederland ook in de toekomst te waarborgen, moeten we nu nadenken over de manier waarop we onze kust na 2020 met zandsuppleties kunnen blijven onderhouden. In het programma Kustgenese 2.0 onderzoekt Rijkswaterstaat tussen 2015 en 2028 hoeveel zand op lange termijn nodig is, waar en wanneer het zand nodig is en hoe het zand kan worden toegevoegd aan de kust. In 2020 moet dat resulteren in een beleidsadvies als tussenresultaat.

Ga naar de Helpdesk Water  voor meer informatie.

Het programma Kustgenese 2.0 onderzoekt onder meer hoeveel zand op lange termijn nodig is.