Door de langdurige droogte van de afgelopen zomer heeft de natuur aardig op haar donder gekregen. En volgens de jongste klimaatprognoses kunnen perioden van langdurige droogte een terugkomend fenomeen worden. Deltanieuws ging langs bij Patrick Poelmann, lid van de Stuurgroep Deltaprogramma namens het Bestuurlijk Platform Zoetwater (BPZ) en vroeg hem hoe wij onze omgeving op langere termijn zoveel mogelijk kunnen behoeden voor extreme droogte. Poelmann is ook dijkgraaf van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Wat belooft wat we deze zomer hebben gezien voor de toekomst?

‘Het kwam niet uit de lucht vallen, aanhoudende droogte. Al in 2014 hebben we in de deltabeslissing Zoetwater vastgelegd dat we gaan anticiperen op langduriger droogteperioden. Daar hebben we er dit jaar een van te pakken. De droogte was extreem, wat nog eens versterkt werd door de verdamping door de hitte. Mijn eigen gebied [De Stichtse Rijnlanden, red.] speelt een belangrijke rol in de aanvoer van zoetwater naar West-Nederland. Daar is verzilting het grote probleem.’

Welke maatregelen zijn of worden daarvoor genomen in het kader van het Deltaprogramma?

‘Afspraken over zoetwatervoorziening zijn nu op uiteenlopende wijze vastgelegd. De deltabeslissing Zoetwater schrijft heldere afspraken tussen Rijk, regio en watergebruikers voor, waarin staat wat zij van elkaar kunnen verwachten in verschillende omstandigheden. Waterschappen zijn verantwoordelijk voor de zoetwateraanvoer. Er zijn diverse manieren om de zoetwatertoevoer te verhogen, bijvoorbeeld door obstakels weg te nemen die de doorstroming in de weg zitten. Zo gaan we duikers onder wegen vervangen door bruggen, omdat je ziet dat juist daar knelpunten ontstaan. We hebben natuurlijk nagedacht over de uitbreiding van de wateraanvoer. Via de zogeheten Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) transporteerden we zoetwater naar gebieden met een tekort. In ons eigen gebied putten we daarvoor uit de Lek en het Amsterdam-Rijnkanaal. We hebben gebruikgemaakt van gemaal De Aanvoerder bij Leidsche Rijn aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Via de Oude Rijn transporteerden we het zoetwater naar Bodegraven. Daarnaast hebben we gebruikgemaakt van gemaal De Koekoek in Lopik en het Utrechtse Noordergemaal, die via de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel en de Wierickes de Oude Rijn voedden.'

‘Maar het was niet genoeg. Rijnland, Delfland en Schieland vroegen om méér zoetwater. Met kunst- en vliegwerk en met de inzet van tijdelijke pompen is het ons gelukt om Rijnland uiteindelijk van zo’n 15 kubieke meter per seconde zoetwater te voorzien, meer dan de dubbele hoeveelheid dan in het huidige waterakkoord is afgesproken.’

Dit lijken lapmiddelen, geen structurele oplossing. Wat kun je doen om de zoetwatertoevoer structureel te verbeteren?

‘Ofschoon onze waterbeheerders ervan genoten hebben om het voor elkaar te krijgen, was het een puzzelstuk en geen structurele oplossing. Sinds de jaren tachtig experimenteren we daarom al met de kleinschalige wateraanvoer die we de klimaatbestendige wateraanvoervoorziening zijn gaan noemen vanwege de nieuwe context waarbinnen maatregelen moeten worden genomen. De capaciteit moet flink worden uitgebreid. Waar de inlaatcapaciteit bij Leidsche Rijn nu nog 7 kubieke meter per seconde is, moet dat binnen enkele jaren verhoogd zijn tot 15 kubieke meter per seconde en later zelfs tot 23 kubieke meter per seconde, en dat zonder alle noodmaatregelen.’

‘We zijn ondertussen aan het werk aan een KWA+-voorziening met meer innamepunten; een maatregel uit het Deltaplan Zoetwater. De Hollandsche IJssel baggeren we uit zodat er meer zoetwater doorheen kan. Alle waterschappen zijn bezig om op een creatieve manier de zoetwatervoorziening te verbeteren. Landelijk gezien gaan we evalueren hoe het is gegaan zodat we lering kunnen trekken uit de droogte van afgelopen zomer.’

Het peilbesluit voor het IJsselmeergebied: in hoeverre draagt dat bij?

‘Het IJsselmeer is onze belangrijkste zoetwatervoorraad. In tijden van ernstige schaarste moet een beroep kunnen worden gedaan op het water in het meer. In juni is in het kader van het Deltaprogramma een nieuw peilbesluit genomen, dat flexibel peilbeheer mogelijk maakt: aan het begin van de zomer wordt het peil in het IJsselmeer 10 centimeter verhoogd en later in het jaar mag dit weer wat zakken. Dit vergroot de bufferfunctie en is essentieel voor de zoetwatervoorziening. Tegelijkertijd moet je oppassen met hoger water, want als het gaat stormen, is er een risico voor de waterveiligheid. Hetzelfde geldt voor het hoofdwatersysteem in diepe polders. Toevoer van voldoende zoetwater is nodig om de kwaliteit op orde te houden. Maar te veel water kan gevaarlijk zijn, als er opeens hevige buien vallen. Het is een fragiel evenwicht tussen kwantiteit, waterbeschikbaarheid en veiligheid.’