Op alles voorbereid zijn

Internationaal klimaatonderzoek wijst uit dat door een combinatie van factoren de zeespiegel na 2050 veel sneller kan stijgen dan tot voor kort voorzien. Dit kan grote gevolgen hebben voor het Nederlandse kustbeheer, maar ook voor de beschikbaarheid van zoetwater, met name in het westen van het land. Een gesprek met KNMI-klimaatonderzoeker Bart van den Hurk en waterbeheeronderzoeker Marjolijn Haasnoot van Deltares.

Wat waren bestaande inzichten rond opwarmen, afsmelten en zeespiegelstijging waar tot nog toe vanuit werd gegaan?

Bart van den Hurk (verder BvdH): ‘De klimaatonderzoekers van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC)  noteerden pakweg 15 jaar geleden nog zoveel onzekerheden, dat zij zich destijds niet waagden aan een scenario met een zeespiegelstijging van meer dan 60 centimeter in 2100. Maar in 2006 hield het KNMI al rekening met 0,85 meter, en de commissie Veerman noemde in 2007 zelfs 1,30 meter mogelijk. In de daaropvolgende jaren stelden de onderzoekers van het IPCC de verwachtingen ook naar boven bij tot 90 centimeter in 2100. Dat had te maken met de wetenschappelijke consensus dat de ijskap op de Zuidpool versneld afsmelt.’

Maar 90 centimeter is nog geen 1,30 meter. Hadden Veerman en zijn commissieleden een glazen bol?

BvdH: ‘Voor de commissie Veerman stond het worst case scenario centraal, niet de 90/95 percentielwaarde, zoals in de wetenschap gebruikelijk is. De commissie Veerman dichtte een groter gewicht toe aan een onzeker scenario, waarvan de kans dat het optreedt klein is, maar de impact groot.’

In de literatuur wordt opeens gerept over 2 meter. Hoe kan het opeens zo hard gaan?

BvdH: ‘Het is allesbehalve gezegd dat dit daadwerkelijk gaat gebeuren, maar we houden er wel steeds meer rekening mee dat dit scenario optreedt. Een tamelijk invloedrijke publicatie was een paper van Robert M. DeConto & David Pollard in Nature (2016). Zij zetten als eersten overtuigend neer dat 2 meter zeespiegelstijging in het jaar 2100 wel degelijk mogelijk is. Hierbij gaan DeConto en Pollard uit van behoorlijk pessimistische scenario’s. Zo gaan ze ervan uit dat de temperatuurstijging niet beperkt blijft tot 2 graden in 2050, zoals in Parijs is afgesproken. Rond de polen voorzien de onderzoekers zelfs een temperatuurstijging van 6 tot 7 graden. Het ijs smelt daardoor niet alleen harder; ijsplaten worden ook instabieler, waardoor meer ijs in zee terecht komt. Het massaverlies van de ijskap zet daardoor versneld door. Op deze wijze vinden meer ‘positieve feedback-effecten’ plaats, die tot gevolg hebben dat de ijsmassa onevenredig snel afsmelt, waardoor de zeespiegel versneld stijgt.’

Wat zijn onzekerheden rond processen van klimaatverandering?

BvdH: ‘Op allerlei tijdschalen zijn er krachten die alle kanten opgaan. De aarde draait rondjes om de zon, maar niet in een zuivere cirkel. Daarmee genereer je fluctuaties in de instraling die aan de basis staan van onze ijstijden. Maar die processen gaan zo langzaam in vergelijking met het broeikaseffect, dat we met zekerheid kunnen stellen dat de recente temperatuurstijging grotendeels door de mens veroorzaakt is. Maar het is ook een proces dat geen precedent kent. Of we naar 1 of 2 meter gaan in 2100, of misschien wel meer: dat kunnen we niet met zekerheid vaststellen. Deels zal het afhangen van de mate waarin we erin slagen de opwarming van de aarde tegen te gaan, deels van de dynamiek van het afsmelten van de ijskap op Antarctica. Het duurt waarschijnlijk tot 2050 voor we weten welke kant het op gaat.’

‘Er zijn overigens ook negatieve effecten die de zaak kunnen dempen. Als het klimaat verandert en de aarde warmer wordt, krijg je meer wolken die de zonnestraling reflecteren. Maar de onzekerheden blijven. Dat is lastig voor de BV Nederland en daarom werken we met scenario’s. De strategie van het Deltaprogramma is gericht op het verkleinen van de onzekerheid in processen en effecten. Ook moet er onderzoek worden gedaan naar hoe maatregelen met een lange levensduur mee kunnen bewegen met nieuwe inzichten of veranderende omstandigheden.’

Wat heeft dit voor consequenties voor het Nederlandse kustbeheer en zoetwater?

Marjolijn Haasnoot (verder MH): ‘In het Deltaprogramma zelf is – op basis van de KNMI-scenario’s uit 2014 – een maximum van 1 meter aangehouden voor 2100. We houden er nu steeds serieuzer rekening mee dat die extra stijging als gevolg van het versneld afsmelten van Antarctica eerder optreedt. De suppletiebehoefte neemt hierdoor sterk en versneld toe. De Oosterscheldekering en de Maeslantkering moeten steeds vaker sluiten en de levensduur neemt versneld af.’

En hoe zit het met de zoetwatervoorziening? Is dat ook een probleem als de zeespiegel stijgt?

MH: ‘Door de stijgende zeespiegel treedt er meer zoutindringing op, zowel via kwel als via de rivieren, die we moeilijker kunnen lozen op de Noordzee. Dat kan problematisch zijn, want met name in zuidwestelijk Nederland zijn de rivieren belangrijke innamepunten voor zoetwater, die waterschappen gebruiken om in het geval van droogte het waterpeil op orde te houden en de kwaliteit te borgen. Hoe dichter bij zee, hoe meer zoute kwel er door de bodem doordringt naar het oppervlaktewater. Dat betekent dat het watersysteem van de polders continu moet worden doorgespoeld met zoetwater uit de rivieren. Als de concentratie zout in het rivierwater te hoog wordt, zal zoetwater – van verder stroomopwaarts –  moeten worden aangevoerd.’

‘Zo is afgelopen zomer in West-Nederland een beroep gedaan op ‘klimaatbestendige wateraanvoer’, waarbij zoetwater van stroomopwaarts gelegen gebieden wordt aangevoerd. Als de zeespiegel stijgt, zal deze aanvoerroute steeds vaker en langduriger moeten worden ingezet.’

Wat betreft die suppletiebehoefte: in het onderzoeksrapport wordt rekening gehouden met een ver25-voudiging. Kun je alsmaar blijven opschalen?

MH: ‘Technisch is veel mogelijk, maar de vraag is in hoeverre dat wenselijk is. Zaak is dat we nu rekening houden met scenario’s die kunnen optreden. Mocht het nodig zijn: waar kunnen we dat zand dan vandaan halen? Ik denk dat het verstandig is ruimte te reserveren in de Noordzee, zodat als het nodig is, we erbij kunnen. Maar zo’n ver25-voudiging zal consequenties hebben voor recreatie, voor bodemecologie, en denk alleen al aan de hoeveelheid schepen die je nodig hebt. Het is daarom zaak dat we tegelijk nadenken over alternatieven. Dan kom je bijvoorbeeld bij megasuppleties terecht zoals de Zandmotor, een bij Ter Heijde aangelegd kunstmatig zandreservoir dat onder invloed van golven, wind en stroming zand verspreidt langs de kust richting het noorden. Als de zeespiegelstijging aan het einde van de eeuw oploopt tot 60 millimeter per jaar, heb je jaarlijks 240 miljoen kuub zand nodig. Dat staat gelijk aan 12 zandmotoren.’

12 zandmotoren: is daar ruimte voor?

MH: ‘Technisch is alles mogelijk, zeggen onze ingenieurs. Het belangrijkste is dat we gaan verkennen wat mogelijk nodig is. De nieuwe inzichten rond de mogelijke zeespiegelstijging zijn een ontzettend belangrijk signaal, die we niet kunnen negeren.’

‘De kracht van het Deltaprogramma is dat het adaptief is. Dat is nodig, want de scenario’s voor zeespiegelstijging veranderen altijd. Wat het nu zo anders maakt dan anders, is dat nieuwe inzichten laten zien dat het allemaal sneller kan gaan dan we eerder hadden voorzien. Dat zou kunnen betekenen dat we in de toekomst ook sneller achter elkaar moeten suppleren of met meer zandmotoren nog meer moeten leunen op natuurlijke stromingen, of dat we moeten gaan denken in termen van megadeltawerken.’

Wanneer moeten we de beslissing nemen voor welk alternatief we uiteindelijk gaan?

MH: ‘Ik denk zelf dat we moeten toewerken naar een beslismoment ergens rond 2040. Het is allemaal nog onzeker, maar het is wel belangrijk om alvast na te denken over alternatieve maatregelen, om tijdig te kunnen reageren, mocht het nodig zijn. Ik zie het ook als iets waar we Nederland mee op de kaart zetten. Adaptief deltamanagement is altijd onze kracht geweest.’

BvdH: ‘Het vergt een ontzettend goede samenwerking tussen Rijkswaterstaat, het KNMI, Deltares en andere betrokkenen bij het Deltaprogramma. Ook moeten we nauw aangehaakt blijven bij de internationale klimaatonderzoekers. We moeten nauwlettend blijven monitoren wat er op Antarctica gebeurt.’