Volgens de meest recente woonagenda van het Rijk moeten er tot 2025 700.000 huizen bij komen. Houden de bewoners droge voeten en houden ze het hoofd koel, zonder hittestress? Vijf vragen aan praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling Co Verdaas. Verdaas volgde afgelopen jaar Friso de Zeeuw op als praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft. De leerstoel wordt ondersteund door de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling.

Als oud-gedeputeerde (Gelderland) met ruimtelijke ordening en water in zijn portefeuille en als medebedenker van de Omgevingswet, kan hij als geen ander woningbouw aan water verbinden. ‘De keerzijde van decentralisatie is dat veel gemeenten het wiel opnieuw uitvinden. Anderzijds geldt dat geen enkele regio hetzelfde is. Kennisdeling is essentieel. De werkregio’s Ruimtelijke adaptatie komen als geroepen.’

Co Verdaas is praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft.

1. Is onze nieuwbouw klimaatproof?

‘Nee. Als je het hebt over ruimtelijke adaptatie – dat wil zeggen het zodanig inrichten van de ruimtelijke omgeving dat die de gevolgen van klimaatverandering zo goed mogelijk opvangt – dan hebben we nog een wereld te winnen. Het begint wel door te dringen dat wat tot nog toe als uitzondering werd gezien, tot het nieuwe normaal gaat behoren, met langere, aaneengesloten perioden van droogte, hitte en meer en vooral heviger neerslag. Dat betekent niet dat je elke vorm van wateroverlast moet willen voorkomen. Eens per jaar een ondergelopen vloer hoeft nog geen ramp te zijn. Mits daar rekening mee is gehouden bij de bouw. Zo kun je stopcontacten hoger aanbrengen en in plaats van een parketvloer kiezen voor plavuizen. Het gaat erom dat je een goede afweging kunt maken. Daar zijn kennis en inzicht voor nodig.’

2. We hebben toch de watertoets?

‘Ja, maar die is niet bindend. De watertoets wordt in de ruimtelijke wereld nog vooral gezien als corvee achteraf, niet als instrument om echt afgewogen keuzes te maken. We komen uit een cultuur waarin elke sector zijn eigen afwegingskader had met een controle achteraf. Dat past niet in de filosofie van de Omgevingswet: het in een vroeg planstadium onderling afwegen van belangen. Ik vind dat je daarnaast meer moet redeneren in lijn met de omstandigheden. Wat zijn de situaties die zich kunnen voordoen? Wat is de kans dat een huis onderstroomt? Wat moeten we doen om die kans te reduceren? Wat is daarbij het financiële plaatje? Wegen de kosten op tegen de overlast die je ermee voorkomt?’

3. Bouwers hebben in de media aangegeven niet te kunnen garanderen dat bewoners droge voeten houden. Ze wijzen naar de verantwoordelijkheid van de gemeente als vergunningverlenende instantie voor klimaatproof bouwen. Is dat juist?

‘Ik denk dat het op zich juist is dat bouwers in eerste instantie wijzen naar de gemeentelijke overheid als toetsende instantie, maar dat ontslaat bouwers natuurlijk niet van hun verantwoordelijkheid. De creativiteit in de plannen en uitvoering van de plannen ligt toch bij hen. De gemeente krijgt daarnaast steeds meer ruimte om eigen kaders te stellen. Een argument hiervoor is dat geen enkele regio en geen enkele plek hetzelfde is. Zelfs in een vlak land als Nederland zoekt het water op een bepaalde manier zijn eigen weg. Kanttekening is dat veel gemeenten het wiel opnieuw gaan uitvinden. Ruimtelijke adaptatie vereist maatwerk. Pas als je inzicht hebt in de lokale situatie, is het mogelijk om plaatselijk maatregelen te nemen. Overheden zijn verantwoordelijk om kwetsbaarheden in kaart te brengen, zoals in het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is voorgeschreven. Dan is de vraag hoe je lusten en lasten verdeelt van ruimtelijke maatregelen die moeten worden genomen om knelpunten zoveel mogelijk weg te nemen. Misschien kunnen verzekeraars een duit in het zakje doen door premies te verlagen of anderszins een bijdrage te doen. Probleem is dat het gesprek nu hooguit reactief wordt gevoerd na incidenten en niet aan de voorkant.’

4. Het komt allemaal redelijk vrijblijvend over. Loop je daarmee niet het risico dat niemand verantwoordelijkheid neemt voor het geheel?

‘We komen uit een tijdperk van: je gaat erover of je gaat er niet over. Op dit moment zijn meerdere instanties samen verantwoordelijk: de gemeente als vergunningverlener, de provincie met een bovenlokale verantwoordelijkheid en het waterschap als functionele autoriteit. Waterschappen brengen kennis en kunde in, maar het zou daarbij heel raar zijn als ze gaan bepalen hoe de gemeente haar ro-besluiten neemt. Ons besturingssysteem is gebaseerd op een open huishouding van gemeente, provincie en Tweede Kamer. Als dat leidt tot suboptimale keuzes, so be it. Het beste wat je kunt doen om goede keuzes en afwegingen te maken is kennisontwikkeling en -deling en het bevorderen van bewustzijn bij het bevoegd gezag. Het gaat erom dat de onderzoekswereld, overheden, burgers en bedrijven met elkaar in gesprek blijven.’

5. Wat kunnen gemeenten en bouwers nu doen?

‘De stresstesten zijn een eerste stap in de goede richting. Vervolgens zal dit moeten worden omgezet in een maatregelenprogramma. Dat kan helpen te bepalen waar je wel en waar je niet bouwt en welke voorzorgsmaatregelen gemeenten moeten nemen bij de inrichting van de openbare ruimte.Het kan bouwers duidelijkheid verschaffen rond bouwpeil en andere bouwtechnische aanpassingen. Dit hoeft écht niet te betekenen dat er een moratorium komt op bouwen in overstromingsgevoelige gebieden, als dit betekent dat je vloer soms blank komt te staan. Dit soort afwegingen zijn aan de politiek en aan mensen zelf. Leven met water kan een keuze zijn. Maar het is essentieel dat dit op basis van goede informatie en inzicht gebeurt. Kennisdeling is essentieel. De werkregio’s Ruimtelijke adaptatie  komen als geroepen om die kennis te delen.’