Conferentie Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater

Op 12 februari kwamen in Zeist bijna tweehonderd bestuurders naar de Conferentie Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater: ruim een jaar na de ondertekening van de intentieverklaring waarin de ambitie voor voldoende chemisch schoon en ecologisch gezond water voor duurzaam gebruik is vastgelegd. Waterbeschikbaarheid was een belangrijk thema.

Luzette Wagenaar, Burgemeester Waterland
Luzette Wagenaar, burgemeester van de gemeente Waterland en namens de VNG lid van het Bestuurlijk Platform Zoetwater zei op de bijeenkomst dat het belang van schoon en voldoende zoetwater nog onvoldoende tussen de oren zit bij veel gemeenten

Op de conferentie werd teruggeblikt op de behaalde resultaten, maar ook vooral vooruitgekeken. De minister van Infrastructuur en Waterstaat, Cora van Nieuwenhuizen benadrukte dat 275 miljoen euro extra budget is vrijgemaakt voor het realiseren van de doelstellingen die in 2016 zijn afgesproken. Ook presenteerde zij concrete voornemens. Zo wordt er hard gewerkt aan minder mest, minder gewasbeschermingsmiddelen en minder medicijnresten in ons water.

Nieuwe bedreigingen werden benoemd, zoals nieuwe chemische stoffen die in ons watersysteem terechtkomen. Maar ook verzilting door een stijgende zeespiegel en langere droge periodes met lage waterafvoeren vragen aandacht. Bedreigingen waar binnen het Deltaprogramma Zoetwater aan gewerkt wordt.

Verdiepingssessie Zoetwater

Tijdens het middagprogramma ging een van de vijf praktijksessies dan ook specifiek over het Deltaprogramma Zoetwater. In deze sessie werd dieper ingegaan op de waterschikbaarheid in Nederland. Vijf bestuurders uit de watersector poneerden een stelling waarop het publiek kon reageren. Uit de discussie die volgde bleek dat het tekort aan zoet water op langere termijn wordt gezien als een groter probleem dan de wateroverlast. Tegelijkertijd heeft Nederland – in vergelijking met andere delen van de wereld – nog relatief veel water. Juist omdat de urgentie nog niet overal wordt gevoeld, vonden deelnemers het essentieel dat perioden van schaarste worden benut als communicatiemoment om maatschappelijke aandacht en draagvlak te vragen voor maatregelen.

De échte prijs van water

Op het congres zette Volkert Engelsman – grossier in biologische groenten en fruit en nummer 1 in de Trouw Duurzame 100 – in een keynote speech uiteen hoe de landbouw met bijvoorbeeld beprijzing van watergebruik en CO2-uitstoot kan verduurzamen. De kern van zijn betoog is ‘fatsoenlijk rekenen’. Er moet een prijs hangen aan vervuiling en uitputting zodat de consument weet wat een peer of appel ‘echt’ kost. Een complexe puzzel, waarmee Engelsmans bedrijf wereldwijd vooroploopt. Als voorbeeld noemde hij een label dat aan een bakje druiven hangt en de consument laat weten: deze biologische druiven zijn dan misschien duurder dan gangbare, maar dat levert ook wat op. Daar is ook een waarde aan gekoppeld. Het label vertelt bijvoorbeeld dat de productie van ‘gewone’ druiven 672 euro water per hectare per jaar kost, de biologische variant ‘slechts’ 339 euro. Tel uit je winst. Die ‘winst’ is wat Volkert Engelsman drijft, niet de vertrouwde economische winst die na gewoon boekhouden onderaan de streep overblijft. Maar winst in termen van waterkwaliteit, vruchtbaarheid van de bodem, minder CO2-uitstoot en ook het welzijn en inkomen van de teler.

Concrete afspraken

Tijdens de deelsessie Zoetwater en ook de andere sessies stond uitwisseling met sectoren buiten het waterdomein centraal. Waterbeheerders hebben de kennis om de situatie op middellange termijn beheersbaar te houden, maar die kennis is nu nog onvoldoende toegankelijk voor gemeenten, provincies en Rijk om scherpe (politieke) keuzes te kunnen maken. Ook het belang en de functie van water zit bij veel gemeenten nog onvoldoende tussen de oren. Tijdens de sessies werd dat dan ook als belangrijke uitdaging genoemd: water een integraal onderdeel te laten uitmaken van de (ruimtelijke) planvorming. Om 'water' breder onder de aandacht te krijgen worden de deelnemers gevraagd om volgend jaar een collega van een ander beleidsterrein mee te nemen naar deze conferentie.