Na vijf jaar directeur-generaal Milieu en Internationaal te zijn geweest op het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) is Chris Kuijpers terug op ruimte. Niet als DG Ruimte (tot en met 2010 bij het toenmalige ministerie van VROM) of DG Ruimte en Water (tot en met 2012 bij het ministerie van IenM), maar als onderdeel van het directoraat-generaal Bestuur en Wonen (DGBW) dat hij leidt op het ministerie van BZK. Ruimte kreeg hij er bij. En zo werd Kuijpers  door de deltacommissaris uitgenodigd om deel te nemen aan de Nationale Stuurgroep Deltaprogramma.

1. Waarom zei u ‘ja’ op de uitnodiging om in de Stuurgroep Deltaprogramma plaats te nemen?

‘Nederland helpen voorbereiden op klimaatverandering door sterkere dijken, bredere duinen en ruimere rivierbeddingen: daar werk ik graag aan mee. Maar het betekent ook iets voor de inrichting van het stedelijk gebied. Twee opgaven haken duidelijk in elkaar: de klimaatopgave en de verstedelijking. We gaan de komende tijd ontzettend veel bouwen in Nederland. Er gaat veel getransformeerd worden. Dan is het essentieel dan je vanuit die nieuwbouw- en transformatieopgave rekening houdt met water.’

2. Wat hoopt u voor elkaar te krijgen binnen de Stuurgroep DP?

‘De relatie tussen ruimtelijke ordening en waterbeleid, die gezocht én gevonden is, te kunnen vasthouden en verder uit te werken. In het rivierenland met al haar dijken is samenwerking al vanzelfsprekend. Maar in stedelijk gebied mag van mij het hele denken rond de integratie van ruimte en water nog nadrukkelijker aandacht krijgen.’

3. U kreeg de portefeuille ruimte, uw collega Peter Heij van IenW water. Hoezo integratie?

‘Ik ben op 1 augustus in mijn nieuwe rol begonnen. Bestuur en Wonen was toen een brede portefeuille met democratische vernieuwing, de woningmarkt, corporaties en energiebesparing in de gebouwde omgeving als belangrijkste aandachtsgebieden. Door afspraken die in het regeerakkoord zijn gemaakt, werden ruimtelijke ordening, de Nationale Omgevingsvisie [Novi, red.] en de Omgevingswet naar BZK geschoven., Water bleef bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Hiermee zijn ruimte en water dus gesplitst. Het is aan beide ministeries om ervoor te zorgen de inhoudelijke samenwerking die er is vast te houden en niet terug te vallen naar de situatie van pakweg tien jaar geleden, toen ruimte en water toch wel erg gescheiden werelden waren. Ik zal nadrukkelijk samen optrekken met mijn watercollega Peter Heij [DG Water en Bodem bij IenW, red.]. De Novi kan als inhoudelijk vehikel helpen die samenwerking te bewaken. Vanuit het Deltaprogramma is ruimtelijke adaptatie bovendien als thema geagendeerd binnen IenW. In de praktijk is van verwijdering echt geen sprake.’

4. Hoe zit het eigenlijk met de integratie tussen ruimte en water op lokaal niveau?

‘Mijn indruk is dat ruimte en water op gemeenteniveau vaak gescheiden werelden waren. Maar het Deltaprogramma, het brede programma van het  Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies, en niet te vergeten de Omgevingswet hebben in belangrijke mate bijgedragen aan het doordringen van het integrale denken in het hele land. Het is gewoner om cross-sectoraal te denken. Hier en daar wordt nog té laat gehandeld, maar grosso modo is integraliteit meer en meer het uitgangspunt.’

‘Een eerste stap naar samenwerking is de gemeentelijke omgevingsvisie. Hier komt de afstemming tussen sectoren op gang. Daarom moet water een belangrijke plek hebben in deze integrale omgevingsvisie, niet in aparte waterplannen. Zorg er dus voor dat je als watersector aan de voorkant bij de ontwikkeling van zo’n integrale omgevingsvisie betrokken bent en niet achteraf met je vinger gaat wijzen. Waterbelangen moeten in een vroeg planstadium worden meegenomen. Gemeenten die dit niet doen, zullen hierop aangesproken worden.’

5. Kunt u al iets zeggen over de inhoudelijke keuzes die in de NOVI worden gemaakt?

‘We hebben in het verleden vele discussies gehad over bouwen in gebieden waar je stevige ontwatering hebt, bijvoorbeeld bij Gouda. Maar doorslaggevend was het nooit. Ik denk dat die waterhuishouding bij planontwikkeling veel meer een thema gaat worden.’