De Oosterscheldekering (1986) zorgt samen met de Oosterscheldedijken voor de veiligheid tegen overstromen van de omliggende eilanden. De vraag is of aanpassing van dit veiligheidssysteem door de zeespiegelstijging nodig is. Dit heeft Rijkswaterstaat in het onderzoek Integrale Veiligheid Oosterschelde (IVO) onderzocht. De belangrijkste conclusies: tot een zeespiegelstijging van maximaal 35 centimeter bewijst het systeem zijn nut. Bij hogere waarden zijn naar verwachting aanpassingen aan onderdelen van de kering nodig.

Rijkswaterstaat heeft het onderzoek in het kader van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) samen met de partners Waterschap Scheldestromen en provincie Zeeland uitgevoerd.

De Oosterscheldekering (OSK) zorgt samen met de Oosterscheldedijken voor de veiligheid tegen overstromen bij zware stormen. Rijkswaterstaat sluit de Oosterscheldekering bij een verwachte stormwaterstand van 3 meter boven NAP. De Oosterscheldedijken zijn ontworpen om de waterstanden bij een open en een gesloten Oosterscheldekering te keren. De kering sluit nu gemiddeld een maal per jaar.

Toekomstbestendige aanpak

Het Deltaprogramma voorziet dat zeespiegelstijging de Oosterschelde voor uitdagingen plaatst, die uiteindelijk tot aanpassingen van de veiligheidsstrategie kunnen leiden. Denk daarbij aan een optimale combinatie van een aangepast beheer van de Oosterscheldekering, (innovatieve) dijkversterkingen en zandsuppleties op intergetijdengebieden. De vraag is bij welke zeespiegelstijging aanpassing noodzakelijk wordt. Uitgangspunt tot nog toe is het huidige KNMI 2006 W scenario. Dat gaat uit van een verwachte zeespiegelstijging van maximaal 35 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100. Maar dit scenario is verouderd en de verwachting is dat waarden binnen enkele jaren naar boven moet worden bijgesteld. Voor het onderzoek betekent dit dat verwacht wordt dat er eerder maatregelen nodig zullen zijn.

Effecten vooralsnog beperkt

Uit bovengenoemd onderzoek blijkt echter dat de effecten van zeespiegelstijging en de nieuwe normering van de veiligheid van de Oosterscheldekering en de dijken ook tot 2050 relatief beperkt zijn. Tot 2050 is er slechts één maatregel nodig: de hoogte van het sluisplateau bij de Oosterscheldekering moet worden aangepast. Dat is vanuit de huidige constructie relatief eenvoudig en het is niet nodig de veiligheidsstrategie aan te passen. Dezelfde conclusie geldt voor de dijken. Mogelijk voldoen de steenbekledingen op (delen van) dijken van Tholen en de Oesterdam voor 2050 niet aan de verzwaarde norm. De toetsing in 2017 moet daar verder uitsluitsel over geven. In ieder geval zijn de steenbekledingen eenvoudig te vervangen of te versterken met suppleties in het voorland. Deze werkzaamheden worden dan ook beschouwd als onderhoud.

Na 2050 vaker sluiting nodig

Na 2050 en bij een zeespiegelstijging van meer dan 35 centimeter zal de kering significant vaker dicht moeten. Bij een zeespiegelstijging van 60 centimeter sluit de Oosterscheldekering 10 keer per jaar, bij 1,25 meter is dat toegenomen tot bijna 100 keer per jaar. 1,25 meter zeespiegelstijging is vooralsnog voor 2100 niet te verwachten. Wel zal het aantal sluitingen per jaar tussen 2050 en 2100 aanzienlijk toenemen met consequenties voor de natuur en mogelijk voor het ruimtegebruik. Deze consequenties worden in het vervolg van het onderzoek Integrale Veiligheid Oosterschelde verder onderzocht.

Al met al lijkt de veiligheidsstrategie de komende tientallen jaren met relatief beperkte middelen houdbaar. Consequentie is wel dat de Oosterscheldekering steeds vaker dicht moet, met mogelijke negatieve effecten voor ecologie en ruimtegebruik.

Plaatcomplex/Intergetijdegebied Krabbenkreek