In 2008 bracht de Deltacommissie advies uit aan het kabinet over de bescherming van Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering. Deze commissie, onder leiding van voormalig minister Cees Veerman, bundelde haar bevindingen in het rapport ‘Samenwerken met water’.

Onderdeel van het advies was het opstellen van een Deltaprogramma, voor de uitvoering, en het instellen van een Deltafonds, voor de financiën. De vernieuwde Deltawet zorgde vervolgens voor de politiek-bestuurlijke verankering.
In de Deltawet staat dat er ieder jaar een nieuw Deltaprogramma moet verschijnen. In 2014 heeft Deltacommissaris Wim Kuijken het kabinet geadviseerd om vijf Deltabeslissingen te nemen: Waterveiligheid, Zoetwaterstrategie, Ruimtelijke Adaptatie, IJsselmeergebied en Rijn-Maasdelta. Later is daar de Strategische beslissing Zand aan toegevoegd. Voor de uitvoering van de Deltabeslissingen Waterveiligheid en Zoetwaterstrategie zijn vervolgens Deltaplannen uitgewerkt.
Sinds dit advies van Kuijken maakt het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) jaarlijks onderdeel uit van het totale Deltaprogramma, waarvan de nieuwe versie ieder jaar op Prinsjesdag wordt gepresenteerd. Doel van het DPRA is het bevorderen van klimaatbestendig en waterrobuust handelen door overheden, het bedrijfsleven, burgers en maatschappelijke partijen.
In 2016 is de Deltawet geëvalueerd door een onafhankelijke commissie. In het eindrapport ‘Op peil’ staat dat de Deltawet goed functioneert en dat er op onderdelen van het Deltaprogramma ruimte is voor verbetering en versterking. Begin 2017 volgde een tussentijdse evaluatie van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. De conclusie luidde dat het nodig is om de uitvoering te intensiveren en te versnellen. Alleen dan kan de doelstelling worden gehaald: een waterrobuust en klimaatbestendig Nederland in 2050.

Het Deltaprogramma voor 2018, dat in september verschijnt, bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Dit is een gezamenlijk, nationaal plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. In dit plan staat hoe het proces van ruimtelijke adaptatie kan worden versneld, onder meer op basis van duidelijke afspraken. De voorgestelde werkwijze gaat uit van de methodiek ‘weten, willen, werken’. Eerst worden de kwetsbaarheden in beeld gebracht (weten), daarna volgt het formuleren van de ambities (willen) en daarna het daadwerkelijk klimaatbestendig en waterrobuust maken van de leefomgeving (werken). Dit alles moet leiden tot een langjarige en planmatige aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en het beperken van de gevolgen van overstromingen.