5 vragen aan Marije van Berk, projectleider implementatie Omgevingswet, Hoogheemraadschap van Rijnland

 

Elke gemeente of provincie is ten minste aan het nadenken over hoe zij straks een integrale omgevingsvisie gaan optuigen. Een dergelijke integrale visie kan een prachtige aanzet zijn voor een ruimtelijk-adaptieve gebiedsinrichting, zoals met het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie dat in de maak is, wordt beoogd. ‘Grijp die kans’, zegt Marije van Berk, projectleider implementatie Omgevingswet bij Hoogheemraadschap van Rijnland. Deltanieuws stelde haar vijf vragen.

 

Marije van Berk
Marije van Berk, projectleider implementatie Omgevingswet, Hoogheemraadschap van Rijnland.

1. Van wie is de integrale omgevingsvisie?

‘Als je een integrale omgevingsvisie maakt, dan is dit niet langer de visie van gemeente x of gemeente y, maar een integraal plan van gemeente x, waterschap z en de andere gebiedsstakeholders.’

 

2. Dit is theorie. De gemeenteraad hamert de visie toch af? Net zoals Provinciale Staten de provinciale omgevingsvisie vaststelt?

‘Het is deels theorie, maar toch ook al deels praktijk dat het proces van zo’n visie samen met de gebiedsstakeholders wordt doorlopen. Ik zie in de praktijk een aantal voorbeelden van gemeente en provincies die in de filosofie van de omgevingswet álle gebiedsstakeholders, waaronder waterbeheerders, intensief in het voortraject van de visievorming betrekken. Uiteindelijk hamert de gemeenteraad de visie af, maar in de wet staan ook waarborgen voor die omgevingsvisie, al zijn die waarborgen vrij ruim. De omgevingsvisie moet integraal zijn, hetgeen in feite impliceert dat de visie samen met anderen, dus participatief, wordt gemaakt.’

 

3. Maar wordt daarmee ‘mijn belang’ als waterschap voldoende gediend, als het waterschapsbestuur er uiteindelijk niets over te zeggen heeft?

‘Het is nu eenmaal zo dat de omgevingsvisie wordt vastgesteld door de algemene democratie: het Rijk voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en provincies en gemeenten voor de provinciale en gemeentelijke variant. Water gaat daar als integraal onderdeel in mee. Dus ja, het is even wennen dat je als waterschap niet meer je eigen visie vaststelt. Tegelijkertijd denk ik dat dit proces juist kansen biedt: in de tijden waarin we leven, moet je je afvragen hoeveel waarde een eigen waterschapsvisie überhaupt nog heeft. Samenwerking met partneroverheden en gebiedsstakeholders is nog nooit zo belangrijk geweest als nu! Past het dan om nog een eigen beleidsdocument te willen maken en vaststellen?

Om de gemeente als ruimteregisseur al op dat hoge planniveau bewust te maken van een klimaatbestendige inrichting en klimaatbestendig bouwen, zal je dus op dat niveau je invloed moeten laten gelden. Bij de uitwerking van die visie in lagere plannen en verordeningen kun je dan altijd terugverwijzen naar die visie.’

 

4. Het is dus een kwestie van overtuigen en overreden dat vooruitzien regeren is, ook wat betreft de wateragenda?

‘Correct. De watertoets “oude stijl” is in die zin ook niet zaligmakend, omdat die achteraf is. In vooroverleggen op het allerhoogste niveau is de discussie over waterbeheer op dit moment vaak nog niet gevoerd. Aan de normen ten aanzien van een bepaald aandeel oppervlaktewater in gebiedsontwikkeling kan dan al snel getornd worden, om plannen dicht te rekenen. Als dit later hersteld moet worden wil vaak niemand de extra kosten voor zijn rekening nemen. Dit had voorkomen kunnen worden als je als waterbeheerder al in het allervroegste stadium aan tafel had gezeten. Watermaatregelen worden te veel als kostenpost gezien, maar kunnen een nieuw gebied ook juist veel attractiever maken. In plaats van het toepassen van een ‘vaste munteenheid’ in de vorm van een vast percentage oppervlaktewater, kunnen de gezamenlijke partijen aan tafel misschien komen tot nieuwe, innovatieve oplossingen die zowel waterbeheertechnisch beter zijn, als voor de exploitatiemogelijkheden van een gebied. Denk daarbij aan een complexe dichte stedelijke setting. Het gaat om het vinden van win-wins. En daar moet je al in de visievorming mee starten.’

 

5. Dan de hamvraag: hoe wurm je je als water- of rioolbeheerder in dit omgevingsvisie-traject?

‘We moeten over de grenzen van onze eigen sector en buiten de muren van onze eigen organisatie kijken. Dat is de cultuurverandering die de Omgevingswet beoogt. Ik denk dat waterbeheerders een proactieve houding moeten aannemen en niet afwachten tot de gemeente je uitnodigt. Elke gemeente en provincie is op dit moment op z’n minst na aan het denken over hoe ze zo’n omgevingsvisietraject gaan optuigen. Ik zou zeggen: pak die kans. Eén telefoontje volstaat vaak om aan tafel te komen. Eenmaal aan tafel is het zaak om vanuit the bigger picture te denken: niet vanuit ‘mijn’ waterbelangen, maar vanuit onze gezamenlijke belangen, de belangen van onze omgeving. Als wij, waterschappen, die transitie kunnen maken in ons denken en doen, dan ben ik ervan overtuigd dat we een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het klimaatbestendig inrichten van Nederland – een van de grootste uitdagingen waar wij als overheid op dit moment met elkaar voor staan.’